leidenlawblog

Corona: overmacht, onmogelijkheid, onvoorziene omstandigheden

Corona: overmacht, onmogelijkheid, onvoorziene omstandigheden

In tijden van corona worden sommige contracten danig op de proef gesteld: een leverancier kan door getroffen maatregelen niet nakomen, een afnemer heeft niets aan geleverde zaken of diensten, een schuldenaar komt in betalingsproblemen en beroept zich op betalingsonmacht. Wat is hun positie?

Dit zijn vragen van overmacht, onmogelijkheid en onvoorziene omstandigheden. Hieronder zetten we de belangrijkste regels van het contractenrecht op een rij. Let wel: het zijn algemene regels, waarbij de toepassing nogal afhangt van concrete feiten en omstandigheden. Onderstaand is dus geen juridisch advies, dat kun je bij een advocaat krijgen.

Voorvragen

Bij beoordeling van vragen van overmacht, onmogelijkheid, onvoorziene omstandigheden is het altijd goed om de volgende voorvragen te stellen:

  • Bestaat voor het contract een wettelijke regeling (bijv. in Boek 7 BW) die dwingende regels stelt? Zo ja, dan is de kans groot dat het antwoord dáár te vinden is en niet in de algemene regels. Bij een aantal consumentenovereenkomsten (B2C contracten) worden consumenten op bijzondere wijze beschermd. Zie bijv. art. 7:509 BW voor pakketreizen.
  • Kent het contract zélf een regeling voor de ontstane situatie, met andere woorden, is voorzien in een mogelijkheid van ontbinding, bijstelling, beëindiging, heronderhandeling ingeval van uitzonderlijke omstandigheden? Zo ja, dan is het goed om eerst het antwoord in (de uitleg van) het contract te zoeken en niet in de algemene regels.

De algemene regels

Als deze voorvragen geen richting geven, dan kijken we naar de algemene regels.

De schuldenaar moet presteren op de afgesproken dag. Wat de prestatie precies inhoudt, moet uit het contract worden afgeleid. Dat kan zijn het afleveren van zaken, het verrichten van een dienst, of betaling van geld als tegenprestatie. Presteert de schuldenaar niet op de afgesproken dag (helemaal niet, te weinig, het verkeerde, etc.), dan is sprake van een tekortkoming. Dat geeft de schuldeiser de mogelijkheid om:

  • Nakoming te vorderen (art. 3:296 BW); de rechter zal daartoe in beginsel veroordelen, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is.
  • De overeenkomst in beginsel te ontbinden (art. 6:265 BW) en zo zijn geld terug te vorderen (art. 6:271 BW). Vaak moeten de regels over verzuim in acht worden genomen (art. 6:81 e.v. BW).
  • Schadevergoeding te vorderen (art. 6:74 BW); Ook hierbij moeten vaak de regels over verzuim in acht worden genomen (art. 6:81 e.v. BW). Als de schuldenaar kan bewijzen dat er omstandigheden zijn die overmacht opleveren, dan is hij niet aansprakelijk voor de schade (art. 6:75 BW). Een eventuele schadevergoeding wordt berekend met de regels van Afd. 6.1.10 BW)

Als de schuldeiser aan ziet komen dat de schuldenaar niet zal kunnen of gaan presteren, kan hij soms al eerder deze instrumenten inzetten (art. 6:80 BW).

We kijken naar een aantal scenario’s om de algemene regels uiteen te zetten:

Een schuldenaar kan niet betalen omdat door de coronamaatregelen zijn cashflow in één klap is opgedroogd.

Van oudsher is betalingsonmacht voor risico van de debiteur.[1] Het levert dus geen overmacht op in de zin van art. 6:75 BW. Hij zal dus ook tot betaling worden veroordeeld. Bij plotselinge ontwrichting van de economie die tot acute cashflow problemen leidt, is dit misschien anders.

Denkbaar is dat een vordering tot nakoming (art. 3:296 BW) wordt afgewezen vanwege tijdelijke onmogelijkheid. Toen het warenhuis V&D op omvallen stond, werd de verhuurders van de warenhuizen bijvoorbeeld een vordering tot betaling van de huurachterstand onthouden.[2] Denkbaar is natuurlijk ook dat de overheid bij noodwet een moratorium instelt, maar tot op heden is daarvan geen sprake. Er zijn wel tal van vrijwillige betalingsuitstelregelingen getroffen.

De schuldeiser die zelf al zaken heeft geleverd, maar daarvoor niet betaald krijgt, kan overwegen de overeenkomst te ontbinden (art. 6:265 BW). Daarmee krijgt hij recht op teruglevering van die zaken.

Een schuldenaar kan een zaak niet afleveren door de coronacrisis.

Dit hangt erg af van de feiten: kan er niet geleverd worden omdat het goed plotsklaps heel schaars is geworden of omdat overheidsmaatregelen het juridisch onmogelijk maken om te leveren of te vervoeren?

Plotselinge schaarste betekent feitelijk dat het voor de debiteur duurder is geworden om zijn verplichtingen na te komen en niet per se dat het onmogelijk is. Van oudsher is het Nederlandse recht streng voor deze debiteur: hij moet alles in het werk stellen om te presteren en kan zich niet snel op onmogelijkheid en overmacht beroepen. Toch zijn er ook schaarse gevallen waarin ‘subjectieve onmogelijkheid’ wordt aangenomen wanneer nakoming in theorie wel mogelijk is maar de kosten van nakoming economisch gezien prohibitief zijn.[3] Het ligt weer anders als het contract is gesloten op een moment dat de schuldenaar rekening had moeten houden met de latere ontwikkelingen; een schuldenaar die zich op 15 maart 2020 verplicht om mondkapjes te leveren, kan zich naar alle waarschijnlijkheid niet beroepen op de schaarste die zich daarna ontvouwt.[4]

Kan de schuldenaar niet leveren omdat een overheidsverbod daaraan in de weg staat, dan is sprake van onmogelijkheid: de schuldenaar zal niet mogen en kunnen presteren en de schuldeiser kan het contract om die reden kunnen ontbinden. Het zal waarschijnlijk om overmacht gaan.

Een schuldeiser heeft niets aan de prestatie

Als de schuldeiser de prestatie niet in ontvangst kan nemen, is dat voor zijn risico. Het ontslaat hem niet van de plicht om de prijs te betalen, tenzij een beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) mogelijk is.

Als hij de prestatie wel in ontvangst kan nemen, maar er niets aan heeft (bijv. omdat er geen vraag is naar het betreffende goed), is wellicht een beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) mogelijk zodat ontbinding of wijziging door tussenkomst van de rechter plaatsvindt.

Een schuldeiser wil van de bestelling af.

De hoofdregel is: afspraak is afspraak. Maar bij duurovereenkomsten zien we allerlei manieren waarop partijen redelijk eenvoudig van elkaar ‘af kunnen’, zoals opzegging. Vaak kent het contract hier mogelijkheden voor, zoals annuleringsvoorwaarden of een wijzigingsbeding. Die zullen dan meestal toegepast kunnen worden. Is er geen mogelijkheid tot opzegging of geen contractuele regeling, dan is misschien een beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) mogelijk, zodat ontbinding of wijziging door tussenkomst van de rechter plaatsvindt.[5]

Een contract dat vóór de coronacrisis werd gesloten en moet worden uitgevoerd ná de afloop ervan, is onevenwichtig geworden omdat de prijsverhoudingen door de crisis enorm zijn veranderd.

Als het contract hier geen eigen regeling voor heeft getroffen, is misschien een beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) mogelijk zodat ontbinding of wijziging door tussenkomst van de rechter plaatsvindt.

De regeling van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW).

Art. 6:258 BW bepaalt dat een van de contractspartijen het initiatief kan nemen om voor de rechter te vorderen dat de overeenkomst gewijzigd wordt of geheel of gedeeltelijk wordt ontbonden ‘op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten’. De rechter mag aan de wijziging of ontbinding terugwerkende kracht toekennen.

Onvoorziene omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in een ernstige verstoring in de waardeverhouding, de onbereikbaarheid van het doel van de overeenkomst of een aanzienlijke economische verzwaring van de nakoming voor een van de partijen.

Bij de toepassing van art. 6:258 BW moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Het artikel moet terughoudend worden toegepast.[6] Er zijn een aantal stappen die moeten worden gezet als er een beroep op wordt gedaan:

  1. Er moet sprake zijn van onvoorziene omstandigheden – daarvan is sprake als er na het sluiten van de overeenkomst omstandigheden ontstaan die niet zijn verdisconteerd in de overeenkomst.[7] Of iets in abstracte zin voorzienbaar is (in theorie is veel voorzienbaar maar wordt er eenvoudigweg geen rekening mee gehouden omdat bijvoorbeeld de kans als heel klein wordt ingeschat), is niet de maatstaf. Het gaat erom of partijen in deze overeenkomst hebben voorzien – uitdrukkelijk of stilzwijgend – in deze omstandigheden. Een verzekeringsovereenkomst die dekking uitsluit ingeval van pandemie, voorziet in de ontstane omstandigheden.
  2. De onvoorziene omstandigheden moeten van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten – dit is een flinke drempel want de hoofdregel is dat afspraak afspraak is.
  3. De rechter mag de vordering afwijzen indien de omstandigheden ‘krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen’ voor rekening komen van degene die de wijziging of ontbinding vordert (lid 2).

Deze stappen zijn te onderscheiden maar niet eenvoudig te scheiden. Bij bepaalde contracten is voor alle betrokkenen op voorhand duidelijk dat prijzen variabel en soms zelfs volatiel kunnen zijn; bij dat soort contracten is de prijsvaststelling een risicotoedelingsmechanisme. Hoe langer de periode tussen prijsvaststelling en prestatie is, des te groter de kans dat partijen rekening hebben gehouden met fluctuaties. Partijen kunnen op die manier stilzwijgend geacht worden bepaalde schommelingen te hebben verdisconteerd in hun overeenkomst. Of kan worden gezegd dat partijen ook de extreme wijzigingen die zich door coronacrisis kunnen voordoen, hebben verdisconteerd, is een kwestie van uitleg. Zeker als het contract ‘ventielen’ kent (bijv. bij een prijswijziging buiten een bepaalde bandbreedte), is toepassing van art. 6:258 BW onwaarschijnlijk.

De rechter heeft dus de mogelijkheid om te weigeren om tot wijziging of ontbinding over te gaan:

  • omdat partijen stilzwijgend of uitdrukkelijk in de omstandigheden hebben voorzien in hun overeenkomst,
  • omdat de onvoorziene omstandigheden niet zodanig zijn dat de ongewijzigde instandhouding niet zou mogen worden verwacht (lid 1), of
  • omdat de omstandigheden ‘krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen’ voor rekening komen van degene die de wijziging of ontbinding vordert (lid 2).

Als de rechter wel meegaat in de eis tot wijziging of ontbinding,[8] heeft hij veel vrijheid. Hij kan geheel of gedeeltelijk ontbinden of wijzigen, ook voor een bepaalde periode (ook met terugwerkende kracht), steeds met het doel het contractuele evenwicht te herstellen. De rechter zal daarbij onder meer letten op de oorspronkelijke risicoverdeling in de overeenkomst. De rechter moet er ook voor waken dat een van partijen de omstandigheden aangrijpt om van een van oorsprong ‘slechte deal’ af te komen.

En verder…?

De bovenstaande regels geven alleen de contractenrechtelijke kant van het verhaal weer. Een schuldenaar die niet kan betalen, kan in het beste geval een contract heronderhandelen of een akkoord met zijn schuldeisers sluiten; in het ergste geval volgt surséance of faillissement. Ook wijzen we erop dat voor bepaalde schuldenaren bijzondere regels kunnen gelden. Zo kan de economische situatie zo verslechteren dat een systeemrisico ontstaat dat tot verdergaande ingrepen aanleiding geeft. Denk aan kortingen afgedwongen door DNB op verzekeringsuitkeringen om een omvallende verzekeraar te redden (hoofdstuk 3a.2 Wft) .

---

[1] Zie bijv. GHARN 19 december 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AZ9788 en RBZUT 19 oktober 2005, ECLI:NL:RBZUT:2005:AU5519 (vogelpest).
[2] De verhuurder werd misbruik van recht verweten (art. 3:13 BW). Zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 22 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9827 (V&D/Mondia; cassatieberoep verworpen; Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:485). Zie nader J.W.A. Biemans en A.G. Castermans, Barmhartigheid in het burgerlijk recht (preadvies VBR), Zutphen: Paris 2017, p. 160-161.
[3] HR 21 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5738 (Unigro/Oosterhuis). Hier ligt overlap met art. 6:258 BW op de loer: als nakoming heel bezwaarlijk is geworden door onvoorziene omstandigheden, moeten we dan zeggen dat nakoming onmogelijk is (en dan de risicotoedelingsvraag zoeken in art. 6:74-75 BW) of moeten we zeggen dat nakoming weliswaar mogelijk is, maar de last ervan voor een van de partijen onvoorzien is in de zin van art. 6:258 BW?
[4] Vgl. Asser/Sieburgh 6-I (2016), nr. 340 e.v. Vgl. voor een geval waarin het contract twee maanden na het uitbreken van SARS werd getekend en dus geen sprake was van overmacht als bedoeld in art. 79 Weens Koopverdrag: China International Economic & Trade Arbitration Commission 5 maart 2005.
[5] Gronden voor opzegging kunnen overlappen met die welke bij art. 6:258 BW een rol spelen. Vgl. HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD3069 (VEH/VSM). Vgl. A.G. Castermans en H.B. Krans, Samenloop (Mon. BW A21), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 89.
[6] Parl. Gesch. Boek 6, p. 969; HR 20 februari 198, ECLI:NL:HR:198:ZC2587 (Briljant Schreuders/ABP); HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2615 (Gemeente Bronckhorst).
[7] Parl. Gesch. Boek 6, p. 968. Betreft het omstandigheden die al bestonden op het moment van sluiting van de overeenkomst, dan is niet art. 6:258 BW maar wellicht art. 6:228 BW relevant.
[8] Het begrip ‘eis’ is in ruime zin te begrijpen want het beroep kan ook als verweer worden gedaan (Parl. Gesch. Boek 6 Inv., p. 1826).

0 Comments

Add a comment

Related